voor kinderen die houden van spanning en techniek   

Tips

 

Het kan je zomaar overkomen. Je begint enthousiast aan een proefje, maar wat je ook probeert, het lukt maar niet. Hier vind je wat extra uitleg, nieuwe ideeën en tips waar je sommige spullen kunt kopen. Kom je er nog niet uit of heb je een andere vraag, neem dan contact op.

 

 

15. Drinkende bloemen

Voedingskleurstof koop je bij een toko. Zit zo’n oosterse supermarkt niet bij jou in de buurt, neem dan inktpatronen voor vulpennen. Dat werkt ook, maar de bloemen kleuren dan wel wat minder fel.

 

21. Vierkante bellen

Vindt je een bellenblaas van drop te somber (of eet je ze liever gewoon op), gebruik dan tumtummetjes. Die zoete kleurtjes vinden de meiden vast mooier. Wil je geen eten verspillen, gebruik dan kneedgum. Daarmee is het wel wat lastiger om een bellenblaas te maken.

 

27. Kristal aan een touwtje

Willen je kristallen niet zo groeien? Zet je glas dan lekker in het zonnetje en laat het gerust een paar weken in de vensterbank staan.

Vergelijk je kristallen met elkaar. Welke groeien het snelst? Welke worden het grootst? En wat voor vorm hebben ze?

 

28. Kleurenwaaier

Witte koffiefilterzakjes koop je onder andere bij Albert Heijn.

 

30. Groene goudvis

Teken ook eens een felblauwe en knalgele vis. Welke kleur krijg je dan?

 

 

 

Extra proefjes

 

Snoepgoed

Ben je altijd gewend om het grootste snoepje te kiezen? Vandaag kom je erachter dat dat niet altijd slim is.

 

Wat heb je nodig?

· Schaaltje

· Zachte, glimmende snoepjes (bijvoorbeeld gummibeertjes, colaflesjes of kersen)

 

Wat moet je doen?

1. Kies twee dezelfde snoepjes uit, liefst van dezelfde kleur.

2. Vul een schaaltje voor ruim de helft met water. Leg een van de snoepjes erin. Het snoepje moet helemaal onder water liggen.

3. Leg het andere snoepje naast het schaaltje. Dit is de controle.

4. Vergelijk na een uurtje beide snoepjes met elkaar. Zie je verschil?

5. Ga de volgende morgen opnieuw kijken. Wat zie je nu?

6. Haal het snoepje uit het water en eet het op. Wat valt je op?

 

Wat gebeurt hier?

Snoep dat in je mond glibberig aanvoelt, bevat veel gelatine. Dat is een stof die, zeg maar, de boel bij elkaar houdt. Een skelet of raamwerk vol gaten en kanalen. Die ruimten zijn gevuld met wat kleurstof en heel veel suiker en dat is je hele snoepje. Er is nog iets wat gelatine goed kan: water in zich opzuigen en vasthouden. Het zit ook in pudding en drop. Gelatine wordt gemaakt van varkenshuid. Echte vegetariërs laten deze snoepjes dus staan …

Gelatine zelf smaakt nergens naar. Dat merk je als je het waterige snoepje proeft. De suiker en kleurstof moet zich nu over een heel groot snoepje verdelen, waardoor het veel minder zoet smaakt. Net als een glas ranja waar je te veel water bij hebt gedaan.

Band zonder bovenkant

Alle dingen om ons heen hebben een bovenkant en een onderkant. Dat kun je met je eigen ogen zien. Knutsel maar mee, dan heb je straks iets in handen waarmee je je vader, moeder, meester of juf totaal in verwarring zult brengen. En jezelf natuurlijk ook.

 

Wat heb je nodig?

· Vel papier (A4)

· Schaar met scherpe punt

· Plakband

 

Wat moet je doen?

1. Knip uit het papier vier lange stroken met een breedte van ongeveer zes centimeter.

2. Plak twee keer twee stroken in de lengterichting aan elkaar. Nu heb je er dus twee, maar dan wel twee keer zo lang.

3. Pak beide uiteinden van de ene strook vast en plak ze aan elkaar, zodat er een ring ontstaat.

4. Neem nu de ander strook en plak de uiteinden ook aan elkaar, maar pas nadat je de strook eerst een halve slag hebt gedraaid. Dat doe je als volgt:

5. Neem het ene uiteinde van de strook in je ene hand en het andere uiteinde in de andere hand.

6. Draai nu met je ene hand het papier een halve slag om. Aan die kant zie je nu de onderkant boven en in de papierstrook zit een halve draai.

7. Plak nu beide uiteinden aan elkaar en zorg ervoor dat de draai erin blijft. Je hebt nu een papieren ring met een ‘bocht’ erin.

8. ‘Loop’ nu met je wijsvinger over het papier totdat je weer terug bent bij het punt waar je begon. Wat is de bovenkant en wat de onderkant?

9. Knip nu beide stroken in de lengterichting doormidden. Dat doe je door ergens in het midden met de punt van de schaar een gat te prikken. Vervolgens knip je van de ring twee smalle ringen. Krijg je wat je had verwacht?

10. Knip beide banden nogmaals in de lengterichting door. Je blijft je verbazen!

 

Wat gebeurt hier?

De papieren ring met de halve slag erin staat bekend als de Möbiusband. Hij is meer dan 150 jaar geleden ontdekt door de Duitse wiskundige August Ferdinand Möbius. Het bijzondere aan de band is dat hij maar één kant heeft. Dat merk je als je het papier met je vinger volgt. Leg je vinger nu eens op de rand en loop hem helemaal langs, dan merk je dat hij ook maar één rand heeft.

De Möbiusband geeft je het gevoel: dit kan niet. Het is een ruimtelijke figuur, maar toch heeft hij maar één oppervlak en één rand. Maar dat is niet het enige wonderlijke aan de band. Knip je een gewone ring in de lengterichting door, dan krijg je gewoon twee smalle ringen. De Möbiusband knip je niet in tweeën, maar hij wordt twee keer zo lang! Ook zit er nu een dubbele kronkel in.

Nog een keer knippen levert een nog langere band op. Helemaal in de knoop.